Ik schrijf deze column na afloop van de jaarlijkse buurtbarbecue, waar de hechte gemeenschap op het mooie Overijsselse platteland, waar ik woon, bijeenkomt. Fantastisch om te zien hoe belangrijk sociale verbondenheid is op het platteland. Naast de wat oudere generatie is er een flinke hoeveelheid jeugd aanwezig die een hechte club vormt.
Wat vaak wordt vergeten is dat boeren (als werkwoord) niet alleen een economische activiteit is, maar ook zorgt voor een sociaal netwerk dat is gericht op noaberschap en onderlinge verbondenheid. Naast praktische was-tips worden het wel en wee van de buurt, de zorgen en toekomstdromen op onze barbecue besproken. Opnieuw besef ik dat de vitaliteit van het platteland voor een groot deel wordt bepaald door haar bewoners en de toekomst van de landbouw. Behoud van vitaliteit van het platteland was ooit een belangrijke pijler onder het GLB. Maar ik hoor daar niemand meer over.
De maatschappelijke druk op de landbouw is groot geworden. Zo groot zelfs dat sommige buurtgemeenschappen er erg onder lijden in bepaalde delen van Nederland. Buurten vallen uit elkaar door grote verschillen in opvattingen over de landbouw. Soms zelfs door enkelen die zich krachtig roeren. Het begrip ‘naoberschap’ valt zo uit elkaar, en daarmee ook letterlijk de samenleving – ofwel het samen leven met elkaar op het platteland. Zonde, want het zou zoveel beter kunnen als de plattelanders met elkaar in gesprek gaan om te kijken hoe je elkaar kunt vinden en kunt bouwen aan een toekomst. Dat vergt een open houding en de bereidheid van iedereen om de ander te begrijpen. En ook de bereidheid om sommige zaken te accepteren, zeker als het niet zo snel kan gaan als je zou willen.
‘‘Boeren’ is niet alleen een economische activiteit’
In een gesprek met een veehouder hoor ik weer wat ik heel vaak hoor: ‘Ik zou het prima vinden om anders of biologisch te boeren, maar het kan niet uit.’ Dat is het hoofdprobleem: de krappe marges in de primaire sector. De biologische sector krimpt vanwege het verdienmodel dat er niet of te weinig is. De reguliere sector is zeker bereid om flink te besparen op chemische gewasbescherming en fors te investeren in nieuwe technieken, maar de marges zijn klein en de onzekerheden groot.
Kijk maar eens goed rond. Je ziet in alle gebieden in Nederland de problemen in de gewassen. Er is bijna geen perceel dat echt mooi staat. Door alle regen die we vanaf oktober vorig jaar hebben gehad, kent bijna elk perceel structuurplekken en barst het van de aaltjesschade in de diverse gewassen. Aardappeltelers hebben moeite om hun aardappelen phytophthora-vrij te houden en dat geldt voor veel andere gewassen als het gaat om schimmelziekten. Dan snap ik heel goed dat het lastig is om alle kritiek van buiten op het gebruik van chemische gewasbescherming te accepteren, want een misoogst ligt snel op de loer.
Er ligt daarmee een belangrijke – of misschien wel de belangrijkste – opdracht voor de gehele keten om te zorgen dat er voldoende marge wordt gegund aan de primaire sector. En niet minder belangrijk: een urgente opdracht voor de overheid om Nederlandse en duurzame voeding te stimuleren, en ongezonde voeding – inclusief de import ervan – te beperken en te belasten. Bedenk daarbij dat boeren dragers zijn van het platteland!
Janny PeltjesJanny is vaste columnist voor agrarisch vakblad Boerderij. In haar maandelijkse columns deelt ze haar visie op actuele thema’s in de landbouw. .